Twee functionarissen in eerste aanleg veroordeeld om tokenbelofte
Schade pas na bijna vier jaar hersteld
Dossier: Beleggingsfraude
De Zuid-Koreaanse rechtbank Seoul Eastern District Court heeft op 11 september 2026 volgens de nieuwspublicatie Bloomingbit/Korea Economic Daily twee functionarissen in eerste aanleg veroordeeld om een tokenbelegging van 50 miljoen won, destijds circa €36.200. Volgens het verslag oordeelde de rechtbank dat zij zonder objectieve grond een notering op een grote Zuid-Koreaanse cryptobeurs binnen negentig dagen hadden gegarandeerd.
Volgens hetzelfde verslag sloot het slachtoffer op 7 oktober 2022 een contract voor circa 1,3 miljoen tokens ter waarde van 50 miljoen won, omgerekend circa €36.200. Betaling volgde in twee overboekingen op 7 en 11 oktober. Bij uitblijven van een notering op onder meer Upbit, Bithumb of Coinone zou de tokenuitgever de munten voor dezelfde prijs terugkopen.
De publicatie duidt de twee beklaagden alleen aan als A en B. A, een man in de vijftig, was aandeelhouder van de uitgever en verantwoordelijk voor binnenlandse beursnoteringen. B, een man in de veertig, beheerde als intern directeur de financiën en boekhouding. Hij zou de belegger hebben verteld dat de token spoedig op een grote beurs kwam en daarna sterk in prijs kon stijgen.
Notering kwam niet verder
Volgens de publicatie werd wel aan een notering gewerkt. Coinone zou de token op 5 oktober 2022 door een voorlopige beoordeling hebben gelaten, maar de stukken voor de hoofdbeoordeling van de bedrijfsvoering en financiële positie ontbraken. Coinone wees de aanvraag in december af. Een aanvraag bij Bithumb volgde pas in november en werd diezelfde maand wegens interne omstandigheden ingetrokken.
Het verslag beschrijft tegelijk betalingsproblemen met de ontwikkelaar van het spel achter het tokenproject. De uitgever had slechts een deel van het afgesproken bedrag betaald. De ontwikkelaar maande volgens de publicatie sinds augustus 2022 om de achterstallige betaling en waarschuwde voor het beleggerscontract al voor beëindiging van de samenwerking. De bestemming van het beleggersgeld blijft daarbij buiten beeld.
Volgens de weergegeven motivering wisten de twee dat notering binnen negentig dagen mogelijk zou uitblijven, maar garandeerden zij die toch zonder objectieve grond. Volgens de rechtbank bleef sprake van opzet ondanks de echte pogingen om de token te laten noteren. B zou in januari 2023 bovendien nog hebben gezegd dat een notering bij een grote beurs liep.
Beiden stellen hoger beroep in
Volgens de publicatie veroordeelde de rechtbank beiden op 11 september 2026 in eerste aanleg tot zes maanden voorwaardelijke celstraf met een proeftijd van twee jaar. Dezelfde bron meldt dat zij hoger beroep instelden.
Het slachtoffer kreeg volgens het verslag in juni 2026 in totaal 60 miljoen won, omgerekend circa €43.400, terug. Dat was ongeveer drie jaar en acht maanden na het contract en 10 miljoen won meer dan de hoofdsom. B trof een schikking; A kreeg geen vergiffenis van het slachtoffer. De verdeling en grondslag van het extra bedrag blijven onbekend.
Bij de strafmaat woog volgens het verslag mee dat de schade was hersteld, B een schikking had bereikt en eerdere soortgelijke veroordelingen ontbraken. De garantie gold voor negentig dagen. Het herstel duurde bijna vier jaar.
