Hoge Raad sluit strafrechtelijke route voor bitcoinclaim
Gestelde eigenaar moet naar civiele rechter
De Hoge Raad heeft de strafrechtelijke beslagprocedure over bijna zes bitcoin beëindigd en de gestelde eigenaar naar de civiele rechter verwezen. De uitspraak is van 3 maart en kwam dinsdag opnieuw naar boven in de publicatiestroom van de Rechtspraak.
De hardwarewallet werd op 24 november 2020 onder de broer van de klager in beslag genomen in onderzoek Rockport. Justitie legde eerst gewoon beslag en op 7 december 2020 ook beslag voor verhaal. Dat tweede beslag moest verhaal mogelijk maken voor een betalingsverplichting uit een oudere ontnemingszaak tegen de broer.
De bijna zes bitcoin waren op de dag van de uitspraak, 3 maart 2026, rekenkundig circa €355.605 waard. Het betreft uitsluitend een berekende dagwaarde op basis van historische koersgegevens. De actuele verkoop-, overdrachts- en beslagstatus van de bitcoin blijft onduidelijk.
Hof gebruikte verkeerde termijn
De zaken tegen beide broers in onderzoek Rockport eindigden vóór behandeling op zitting. Daardoor verviel het eerste beslag, terwijl het beslag voor de andere ontnemingszaak bleef bestaan. De klager vroeg vervolgens om opheffing en teruggave van de wallet.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wees zijn klacht op 11 april 2024 af als te laat ingediend. De Hoge Raad oordeelde dat het hof daarbij de verkeerde bepaling gebruikte. Er was sprake van vervolging in de zaak waarvoor het tweede beslag was gelegd. Daarom gold artikel 552a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering in plaats van lid 4.
Ook de aanvullende redenering van het hof was volgens de Hoge Raad ondeugdelijk. Het hof rekende vanaf het einde van de Rockport-zaak tegen de klager, terwijl het beslag bij een afzonderlijke ontnemingszaak tegen zijn broer hoorde. Over de datum waarop die zaak eindigde verschillen de stukken: het hof noemt 29 maart 2021, de advocaat-generaal 3 juni 2021.
Civiele route blijft over
De Hoge Raad vernietigde de beslissing van het hof, maar wees de klacht daarna zelf om procedurele redenen af. De reden ligt in de tussentijds onherroepelijk geworden strafveroordeling van de broer. Sinds 24 september 2024 kan ook de al eerder definitieve ontnemingsuitspraak worden uitgevoerd.
Die uitspraak verplichtte de broer tot betaling van ruim €2,2 miljoen. Het beslag diende als mogelijke verhaalsbron voor die schuld. Terugwijzen naar het hof zou daarom volgens de Hoge Raad tot dezelfde uitkomst leiden.
De klager stelt dat hij eigenaar is van de wallet en de bitcoin. Volgens hem had hij de wallet aan zijn broer gegeven om de munten te verkopen. De strafrechter heeft die eigendomsvraag niet inhoudelijk beslist. De klager kan zijn gestelde rechten nu volgens de regels voor civiele zaken bij de civiele rechter aanvoeren.
